Kenmerken professionele werkomgeving opleiders mbo

Werkomgeving

Kenmerk 1 Werken met vakbekwame collega’s

Werken met vakbekwame collega’s is voor veel opleiders die werkzaam zijn in het mbo een belangrijk kenmerk van een professionele werkomgeving. Als er binnen een team goed wordt samengewerkt en als teamleden daarbij de kans krijgen hun kennis en vaardigheden optimaal in te zetten, dan komt dat het onderwijs ten goede. Die vakbekwaamheid heeft betrekking op de volgende domeinen:

Lees verder

Kennis en vaardigheden van collega’s in een team
Opleiders beschikken over de juiste kennis en vaardigheden om het onderwijs voor en de begeleiding van de studenten te verzorgen. Elke opleider is in staat om het onderwijsleerproces van jongeren goed te verzorgen en te begeleiden en om kennis en vaardigheden toe te passen in beroepssituaties in het onderwijs. Ook onderwijsontwikkeling wordt samen opgepakt: opleiders werken gezamenlijk aan de ontwikkeling van het onderwijs (oplossen van problemen, integratie nieuwe beroepsontwikkelingen, lesmateriaal).

Elkaar feedback geven
Opleiders beschikken over de juiste kennis en vaardigheden om het onderwijs voor en de begeleiding van de studenten te verzorgen. Elke opleider is in staat om het onderwijsleerproces van jongeren goed te verzorgen en te begeleiden en om kennis en vaardigheden toe te passen in beroepssituaties in het onderwijs. Ook onderwijsontwikkeling wordt samen opgepakt: opleiders werken gezamenlijk aan de ontwikkeling van het onderwijs (oplossen van problemen, integratie nieuwe beroepsontwikkelingen, lesmateriaal).

Grenzen kunnen en durven stellen
Als lid van een team moet je grenzen kunnen en durven stellen, vooral voor jezelf maar ook voor collega’s. In een open en professionele cultuur is dat mogelijk. Op die manier blijft iedereen in zijn kracht en wordt het risico op een scheve balans in werkdrukverschillen tussen teamleden geminimaliseerd.

Goed ontwikkeld eigenaarschap bij teamleden
Het eigenaarschap en de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van het onderwijs en voor het optimaliseren van de kwaliteit ervan is een gezamenlijke ambitie; opleiders nemen regie en initiatief. Het eigenaarschap voor het uitvoeren van het onderwijs en voor de ontwikkeling daarvan is goed belegd. Voor bepaalde zaken, zoals de uitvoering van het onderwijs en begeleiding, is ieder teamlid zelf eigenaar. Voor bepaalde taken kan ervoor gekozen worden het eigenaarschap bij specifieke individuen te beleggen.

Samenwerking
Opleiders moeten bereid en in staat zijn om samen te werken waarbij in de samenwerking ook goed gekeken wordt naar elkaars sterke punten als het gaat om kennis en vaardigheden. Een team functioneert als een professionele gemeenschap en is resultaatverantwoordelijk, ook bij de implementatie van vernieuwingen.

Brede blik
Opleiders in het beroepsonderwijs moeten in staat zijn om zich te verdiepen in en relaties aan te gaan met de werkomgeving waarvoor de studenten worden opgeleid. Het opgebouwde netwerk rond de organisatie van BPV kan hiervoor een goede basis vormen.

Kennis en vaardigheden
Opleiders in het mbo dienen te beschikken over de vakkennis en vaardigheden zoals vastgelegd in het kwalificatiedossier voor mbo-docenten. In dat dossier worden de volgende taken onderscheiden:

  1. De docent draagt er zorg voor dat hij professional is en blijft.
  2. De docent ontwikkelt een onderwijsprogramma.
  3. De docent voert een onderwijsprogramma uit.
  4. De docent begeleidt de studenten tijdens de leerloopbaan.
  5. De docent is actief betrokken bij de beroepspraktijkvorming.
  6. De docent construeert, hanteert en evalueert beoordelingsinstrumenten.

Affiniteit met de doelgroep
Opleiders in het mbo dienen te beschikken over een grote affiniteit met de doelgroep.

Kenmerk 2 Goede relatie met het werkveld waarvoor wordt opgeleid

Het werkveld waarvoor in het mbo wordt opgeleid is voortdurend onderhevig aan allerlei vernieuwingen en veranderingen. Om een eigentijds onderwijsaanbod te kunnen realiseren is het daarom noodzakelijk dat opleiders als antenne fungeren in het werkveld. Opleiders moeten goed weten waarvoor ze opleiden en dienen te beschikken over een breed netwerk. Het belang om studenten breed op te leiden wordt groter.

Lees verder

Samenwerking met het bedrijfsleven
Een goede samenwerking met het bedrijfsleven zorgt ervoor dat er sprake is van een verbetering van de actualiteit van de opleiding en voor een optimalisering van een goede doorstroom naar arbeid. Het onderwijs kan dan niet zonder de betrokkenheid van het bedrijfsleven. Vanuit de BPV zijn er veelal al relaties die hiervoor een goede basis vormen. Ten aanzien van de examinering blijft de onderwijsinstelling in de lead.

Toepassing van nieuwe technologieën
Voor alle sectoren geldt dat de werkomgeving waarvoor wordt opgeleid zich kenmerkt door een continue verandering en vernieuwing van technologieën en toepassingen die worden ingezet. De opleider moet in staat en bereid zijn zich te verdiepen in deze nieuwe technologieën.

Hybride docentschap
Daar waar mogelijk wordt ingezet op hybride docenten/opleiders. Een hybride docent/opleider kiest ervoor deels als docent/opleider te werken en daarnaast ook werkzaam te zijn in een andere baan in loondienst of als zelfstandig ondernemer. Het hybride docentschap biedt een oplossing voor het dreigende lerarentekort, het biedt een mooi loopbaanperspectief voor opleiders of vakmensen en het draagt bij aan eigentijds en innovatief beroepsonderwijs. Het belang van professionalisering op het gebied van pedagogische en didactische aanpakken is hierbij wel groot.
De combinatie van een baan als docent/opleider en werkzaam zijn in de sector waarvoor wordt opgeleid kan voor mensen een loopbaanverrijking betekenen. De hybride docent/opleider is in staat zich te ontwikkelen in zijn/haar vak als docent/opleider en in het vakgebied waarvoor wordt opgeleid. Daarnaast zorgt de combinatie voor afwisseling door het docentschap te combineren met een baan in het bedrijfsleven.

Kenmerk 3 Autonomie

Het betreft autonomie binnen het onderwijsleerproces. De opleider heeft de vrijheid om zelfstandig te handelen op basis van zijn/haar kennis en ervaring en neemt zelf beslissingen in het belang van het onderwijsleerproces van de individuele student.

Lees verder

Verder heeft een opleider autonomie over zijn/haar eigen loopbaan binnen de gezamenlijke visie, ambities en doelstellingen op teamniveau of op organisatieniveau en vanuit een gezamenlijk vastgestelde kennisbasis. Het aansturen en functioneren van teams gebeurt op basis van vertrouwen en niet vanuit controle en handhaving. Bewegingsvrijheid van individuen, collegialiteit, verdeling van de taaklast, en inzet op ambities en kwaliteiten zijn hierbij belangrijke waarden.

Waar mogelijk moet uitgegaan worden van multidisciplinaire teams waarin teamleden qua kennis, vaardigheden en ambities verschillend zijn. De diversiteit van een team is daarmee haar kracht. Het vraagt van een team dat het in staat is om verantwoordelijkheid te nemen voor de kwaliteit van het onderwijs en een basis van onderling vertrouwen. Hiervoor moeten zij als professionele gemeenschap functioneren en resultaatverantwoordelijk zijn. Alleen dan zijn teams beter in staat grootschalige vernieuwingen te implementeren. Een professionele leergemeenschap kent opleiders, die actief deelnemen aan besluitvorming, een cultuur van onderlinge samenwerking, opleiders die samen het werk plannen en opleiders die samen verantwoordelijkheid dragen voor de resultaten van hun werk.

Inzichten over gespreid leiderschap laten zien dat opleiders groeikansen krijgen als leidinggevenden samen met teamleden zorgen voor een aantrekkelijke gemeenschappelijke ambitie, voor mogelijkheden om te groeien in verschillende rollen en bij perspectief op heldere ontwikkelpunten.

Kenmerk 4 Goede relatie met en support van leidinggevenden

In het professioneel statuut voor mbo is onder andere vastgelegd dat onderwijsgevenden in het mbo (docenten en instructeurs) ruimte nodig hebben om zichzelf te ontwikkelen en om voldoende onderwijskwaliteit te kunnen leveren. Onderwijsteams vormen daarvoor de basis. Op basis van het professioneel statuut hebben zij zeggenschap over vak inhoud, didactiek, pedagogiek en het beoordelen van prestaties van leerlingen. Opleiders in het mbo willen zich voor de uitoefening van hun taak ondersteund voelen door leidinggevenden.

Lees verder

Dit betekent vooral dat leidinggevenden faciliteren, ontzorgen en vragen stellen. Heel duidelijk geven de opleiders aan dat zij als team eigenaar zijn van het onderwijs en de begeleiding vanuit een gezamenlijk gedragen visie. Niet de leidinggevenden bepalen hoe het onderwijs er uitziet maar het onderwijsteam als geheel. Er is dus sprake van een gezamenlijke en gedragen visie op en doelstellingen voor het onderwijs, al dan niet vastgelegd in een teamplan. Verwachtingen naar elkaar toe moeten daarbij duidelijk zijn. Opleiders in het mbo verwachten de volgende zaken van hun leidinggevenden:

  • Er wordt zeggenschap voor het team gecreëerd (volgens het professioneel statuut).
  • Beschikbaar en benaderbaar zijn, veiligheid bieden en zich open stellen.
  • Met opleiders spreken in plaats van over opleiders beslissen.
  • Opleiders kunnen focus in werk aanbrengen op basis van hun competenties/kwaliteiten.
  • Zelfvertrouwen, onafhankelijkheid en gevoel van eigenwaarde stimuleren.
  • Ontzorgen in de zin van zaken waar het team niet over hoeft te gaan oplossen of regelen.
  • Er is sprake van professionele nabijheid, leidinggevenden opereren niet op afstand.
  • De leiderschapsstijl van de leidinggevende sluit aan bij de behoeften en fase van ontwikkeling van het team.
  • Faciliteren van de onderlinge samenwerking door beschikbaar stellen van tijd en ruimte en door te staan voor een professionele cultuur.
  • Bewerkstelligen van een prettige, motiverende en veilige werksfeer met transparante communicatie.
  • Groei en ontwikkeling van medewerkers mogelijk maken.

Kenmerk 5 Zeggenschap over de beroepsuitoefening (als individu en als team)

Zeggenschap over de beroepsuitoefening is een combinatie van inspraak en beslissingsbevoegdheid over kwesties die van invloed zijn op de opleiders in het mbo, hun werk en de kwaliteit van onderwijs en begeleiding. Dit is geregeld in het zogenaamde professioneel statuut waarin staat hoe de zeggenschap van de opleiders is geregeld.

Lees verder

Dit kan op verschillende manieren worden vormgegeven, bijvoorbeeld door het instellen van zelfsturende taakteams. De opleider is daarbij de professional die actief betrokken wordt bij onderwijskundige ontwikkelingen en heeft voldoende professionele ruimte om zijn werk goed te kunnen uitvoeren. Daarnaast dient ook de zeggenschap van de studenten goed georganiseerd te zijn.

Organisatie van de zeggenschap
Er dient een organisatie en structuur voor zeggenschap over de beroepsuitoefening aanwezig en operationeel te zijn en deze wordt door anderen als gezaghebbend erkend. Het gaat er daarbij om dat deze zeggenschap niet individueel is ingericht maar dat ervoor gezorgd is dat er een structuur is waarbij de inbreng van allen wordt gevraagd en verwacht als het gaat om onderwijs en het borgen van de onderwijskwaliteit. Nadrukkelijk gaat het hierbij om sturing die komt vanuit een team en niet vanuit een individueel teamlid.

Het sturingsmodel oftewel de governance-structuur moet helder zijn en moet ruimte laten voor inbreng van de opleiders uit het primaire proces. Hierbij dient ook de positie van ondersteunende stafdiensten helder te zijn. Sturing dient niet vanuit deze afdelingen te komen, wel het faciliteren van opleiders in het primaire proces.

Kenmerk 6 Ontwikkelingsmogelijkheden

Opleiders in het mbo hechten grote waarde aan voortdurende scholing, loopbaanontwikkeling en professionalisering. Daarbij gaat het er ook om dat ze goed voeling houden met het werkveld waarvoor wordt opgeleid. Docentstages en samenwerking met het werkveld zijn daarom onontbeerlijk.

Lees verder

Maar ook kan gedacht worden aan intervisiebijeenkomsten, observeren en nabespreken van elkaars lessen, en de mogelijkheid om een masteropleiding te volgen. Verder gaat het om kennisdeling: teamleden delen kennis met elkaar over nieuwe onderwijsinzichten, landelijke of sectorale ontwikkelingen en kennis die is opgedaan tijdens bijscholing. Een goed hulpmiddel om sturing en richting te geven aan de ontwikkelmogelijkheden van een opleider vormt het beroepsbeeld mbo-docent waarin voor verschillende domeinen een mogelijke ontwikkeling van in opleiding/ starter tot expert beschreven is. Goede mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling zijn voor opleiders vaak een reden om bij de werkgever te blijven en niet op zoek te gaan naar een andere baan. Afspraken in CAO dienen per definitie waargemaakt te worden.

Docenten en teams tonen leiderschap door ook echt werk te maken van scholing en professionalisering naast de uitvoering van hun taken in het primaire proces. Leidinggevenden dienen te faciliteren zowel in tijd als in budget. Het gaat om ruimte nemen en ruimte creëren.

De mogelijkheden voor scholing voor opleiders zijn groot en het is de uitdaging om scholing en professionalisering te richten op zowel de ambities van de docent als individu in het kader van zijn/haar doorgroeimogelijkheden als op de ambities van het team of de organisatie. Het kan daarbij zowel gaan om verdiepende als verbredende scholing en natuurlijk ook om scholing gericht op de benodigde bevoegdheid.

Ook voor opleiders die in het mbo een andere rol vervullen dan die van docent moet scholing in het aanbod zitten.

Uitgangspunt is dat de opleider eigenaar is van zijn/haar eigen leerproces en dat het ook van belang is om een leven lang te ontwikkelen.

Verschillende vormen
De mogelijkheden voor scholing en professionalisering kunnen zowel het karakter van formeel als van informeel leren hebben.
Bij informeel leren kan het bijvoorbeeld gaan om:

  • Intercollegiale consultatie voor interactie, feedback, onderling lesbezoek etc.
  • Leren en ontwikkelen van en met elkaar in communities of practice
  • Training on the job: werkplekleren
  • Docent stages
  • Experimenteren en uitvoeren van pilots en deze monitoren
  • Etc.

Bij formeel leren kun je bijvoorbeeld denken aan:

  • Het volgen van cursussen en trainingen
  • Volgen van onlinetrainingen en cursussen
  • Het bezoeken van symposia, studiedagen en congressen
  • Bij- en nascholingsprogramma’s voor opleiders in het mbo
  • Aanvullende opleidingen bijvoorbeeld gericht op het omgaan met specifieke doelgroepen

Kenmerk 7 Voldoende personeel

De vraag of er voldoende personeel is wordt door directie en leidinggevenden vaak bezien vanuit de kwaliteit van het onderwijs zoals die bijvoorbeeld door de inspectie van het onderwijs wordt vastgesteld. Daarnaast vormen factoren als het aantal onvervulbare vacatures, het verloop, de ratio opleider/student en de complexiteit van het onderwijs ook in het licht van de doelgroep een indicatie.

Lees verder

Door het vergelijken van deze gegevens wordt de vraag beantwoord of er voldoende personeel is. De opleiders kijken hier vaak anders tegenaan. Want ook al zijn de scores op bovengenoemde voldoende of goed, dan kunnen in de beleving ook andere factoren een rol spelen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:

  • De mate waarin een team in staat is teamgericht te werken: onderling en in afstemming met andere stakeholders;
  • Toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van ICT-systemen die ondersteunend zijn aan het primaire proces;
  • Mate van efficiëntie van organisatie van het onderwijs in het team;
  • Gemotiveerd assisterend personeel met relevante aanvullende kennis en ervaring en een teaminstelling.

De perceptie van voldoende personeel wordt nog het meest beïnvloed door de onderlinge (bereidheid) tot samenwerking in een team en door de mate waarin teamleden, ook door hun leidinggevende, worden ingezet op basis van hun motieven en kwaliteiten. Uitgangspunt is dat opleiders niet meer lesgevende taken hebben dan de cao voorschrijft.

Kenmerk 8 Studentgerichte onderwijscultuur

In een studentgerichte onderwijscultuur staat de student centraal. Dat betekent dat de inbreng van studenten is georganiseerd en dat zij bevraagd worden over hun ervaringen en hun kijk op verbeterpunten. Op landelijk niveau gebeurt dit bijvoorbeeld door de JOB-monitor en op instellingsniveau kan gewerkt worden met tevredenheidsonderzoeken, lesevaluaties, leerlingarena’s etc.

Lees verder

De inbreng van studenten optimaliseren kan ook betekenen dat het onderwijs en de begeleiding wordt afgestemd op de individuele student. Aandacht voor een goed pedagogisch klimaat is hierbij nadrukkelijk van belang. Daarnaast is het van belang dat opleiders in staat zijn in te spelen op de (individuele) leerbehoeften van de student. Differentiatie is hierbij een sleutelbegrip. Uitgangspunt is dan nadrukkelijk dat het onderwijs gericht is op de behoeften van de student en minder op de mogelijkheden van de instelling. De groeiende mogelijkheden met digitale leermiddelen maken dit mogelijk. Als leerlingen meer een persoonlijk leerpad volgen, is de structuur van de methode niet meer leidend. Om toch grip te houden op het leerproces moeten opleiders op zoek naar een nieuwe structuur. Opleiders krijgen meer en meer een coachende rol.

Daarnaast gaat het ook over de formele zeggenschap van studenten die geregeld moet zijn in de vorm van een studentenraad al dan niet in combinatie met deelraden.

Het uitgangspunt is dat de invloed en de zeggenschap van studenten vergroot worden.

UITLEG VAN HET PROCES

Van februari tot en met oktober 2019 heeft de BVMBO gewerkt aan een whitepaper over de kenmerken van een professionele werkomgeving voor opleiders in het mbo. Hieronder kun je lezen:

Waarom aandacht voor een professionele werkomgeving van opleiders?

Een goed en optimaal ingerichte werkomgeving draagt bij aan de kwaliteit van onderwijs. Opleider, zoals wij docenten en instructeurs noemen, kunnen hun vakmanschap ten volle uitleven in een professionele werkomgeving. In deze tijden van personeelstekorten en hoge eisen aan het vakmanschap, is het niet alleen van belang om ons te richten op de professionalisering van de opleiders zelf. Laten we ook aandacht besteden aan een goede en professionele werkomgeving voor opleiders.

Lees verder

De inbreng van studenten optimaliseren kan ook betekenen dat het onderwijs en de begeleiding wordt afgestemd op de individuele student. Aandacht voor een goed pedagogisch klimaat is hierbij nadrukkelijk van belang. Daarnaast is het van belang dat opleiders in staat zijn in te spelen op de (individuele) leerbehoeften van de student. Differentiatie is hierbij een sleutelbegrip. Uitgangspunt is dan nadrukkelijk dat het onderwijs gericht is op de behoeften van de student en minder op de mogelijkheden van de instelling. De groeiende mogelijkheden met digitale leermiddelen maken dit mogelijk. Als leerlingen meer een persoonlijk leerpad volgen, is de structuur van de methode niet meer leidend. Om toch grip te houden op het leerproces moeten opleiders op zoek naar een nieuwe structuur. Opleiders krijgen meer en meer een coachende rol.

Daarnaast gaat het ook over de formele zeggenschap van studenten die geregeld moet zijn in de vorm van een studentenraad al dan niet in combinatie met deelraden.

Het uitgangspunt is dat de invloed en de zeggenschap van studenten vergroot worden.

Door wie hebben we ons laten inspireren?

De BVMBO raakte geïnspireerd door het project ‘Excellente Zorg’ van V&VN, de beroepsvereniging voor verpleegkundigen en verzorgenden. Bij ‘Excellente Zorg’ kijkt men vanuit een totaalvisie naar de kwaliteit van zorg. Hierbij spelen drie belangrijke elementen een rol:

  • Het perspectief van bestuur, leidinggevende, stafafdelingen (het organisatieperspectief);
  • Het perspectief van de opleider in het mbo (de werkomgeving van de professional);
  • Het perspectief van de cliënt (klanttevredenheid).

Lees verder

Om excellente zorg te realiseren, heb je een optimale afstemming nodig tussen deze drie perspectieven. Het project ‘Excellente Zorg’ onderzoekt in welke mate deze drie perspectieven op elkaar zijn afgestemd. De bespreking van de uitkomsten van zo’n onderzoek levert verrassende ontdekkingen op. Een simpel voorbeeld: een leidinggevende heeft het idee dat ze heel benaderbaar is, want zij voert een “opendeurenbeleid” (het organisatieperspectief). Maar de professionals waaraan zij leidinggeeft, merken weliswaar dat de deur inderdaad steeds openstaat, maar dat haar stoel voortdurend leeg is (werkomgevingsperspectief). Dan is er dus een discrepantie in de perspectieven van de leidinggevende en van de uitvoerende professional. Tijdens dit onderzoeksproject krijg je verschillen in beleving boven tafel, kun je deze verschillen bespreken en daarmee de zorg verbeteren.

Een excellente werkomgeving voor het mbo?

De BVMBO ziet veel overeenkomsten tussen zorg- en onderwijsinstellingen: dezelfde dynamiek en dezelfde vraagstukken rondom personeelsaantallen, kwaliteit en aantrekkelijkheid van het beroep. Daarom hebben we verkend hoe wij dit project ook in het mbo kunnen vormgeven.

Lees verder

De eerste stap die wij hiervoor hebben gezet is het verkennen van ‘de acht kenmerken van de een excellente werkomgeving’ in de zorg op de bruikbaarheid voor opleiders in het mbo. In de toekomst hopen we ook de volgende stappen te kunnen zetten richting het gehele onderzoekstraject.

Wat is een professionele werkomgeving?

Wat is een professionele werkomgeving? Dat is een goede vraag. In het project ‘Excellente Zorg’ spreken we van ‘acht kenmerken van een excellente werkomgeving’. Deze acht kenmerken zijn onder andere in kaart gebracht bij een onderzoek naar zogenoemde Magneetziekenhuizen in de Verenigde Staten. Er blijken enkele factoren te zijn die een grote aantrekkingskracht (pullfactor) hebben op uitvoerende professionals: als deze factoren goed op orde zijn, dan is werktevredenheid groot, kwaliteit van zorg goed en het personeelsverloop laag. Voor de BVMBO voldoet een professionele werkomgeving aan deze vereisten.

Lees verder

Dit onderzoek is door de V&VN gevalideerd naar de Nederlandse situatie en aangevuld met een paar nieuwe kenmerken. Dit heeft geresulteerd in een beschrijving van acht kenmerken van een excellente werkomgeving. Deze beschrijving dient als input voor het onderzoeksinstrument dat gebruikt wordt bij ‘Excellente Zorg’.

Wat zijn doel en de status van deze beschrijving?

De beschrijving van deze kenmerken draagt bij aan het gesprek over de vraag wat er vanuit het perspectief van de opleider nodig is om zijn of haar vak in het mbo goed uit te kunnen oefenen. Met deze beschrijving kunnen opleiders aangeven wat ze nodig hebben om optimale kwaliteit van onderwijs en begeleiding voor mbo-studenten in de praktijk te kunnen brengen.

Lees verder

Deze beschrijving is echter niet in beton gegoten en heeft de status van een eerste verkenning. Nader onderzoek en uitwerking is nodig. We nemen deze kenmerken mee in de ontwikkeling van de meerjarenagenda voor professionele ontwikkeling en beroepsgroepvorming die we de komende periode samenstellen.

Hoe is het ontwikkelproces verlopen?

De totstandkoming van deze eerste versie van deze whitepaper hebben we hieronder in verschillende stappen beschreven.

Lees verder

Van inspiratie…
De BVMBO raakte geïnspireerd door het project ‘Excellente Zorg’ van de V&VN. De V&VN heeft onderzoek uit de Verenigde Staten gevalideerd naar de Nederlandse situatie. Uit dit onderzoek zijn acht kenmerken van een excellente werkomgeving voortgekomen. Na eerste contacten met V&VN bleek het hele traject valideren voor de mbo-sector nog een stap te ver. Maar we zijn wel gestart met een eerste verkennende validatie op de ‘acht kenmerken van een excellente werkomgeving’.

… en validatie…
Tijdens een diner pensant bij het restaurant GROOS van het Albeda in Rotterdam op 7 februari 2019 hebben docenten en verschillende stakeholders uit de mbo-sector gereflecteerd op deze acht kenmerken met als centrale vraag: zijn deze kenmerken herkenbaar en toepasbaar op het mbo? Vervolgens heeft onderwijsadviseur Edith Vissers van Edith Vissers Onderwijsadvies een eerste versie geschreven met de input van dit diner. Hierna zijn uit deze versie elementen, per kenmerk, voorgelegd aan verschillende opleiders binnen verschillende instellingen. Diverse vragen zijn in deze raadpleging opgenomen:

  • Herken je het beschrevene als een beschrijving van een gewenste werkomgeving?
  • Mis je nog elementen?
  • Wat zou je nog willen toevoegen? etc.

…. naar realisatie
De antwoorden en opmerkingen zijn wederom verwerkt in een volgende tekstversie. Deze tekstversie is op verzoek van de BVMBO door het expertisecentrum beroepsonderwijs (ecbo) onderworpen aan een quickscan light. De opdracht aan het ecbo was: zijn er elementen van deze acht kenmerken terug te vinden in de wetenschappelijke literatuur met betrekking tot het (beroeps)onderwijs? Het ecbo geeft aan dat het merendeel van de kenmerken terug te vinden zijn in de wetenschappelijke literatuur. Het ecbo geeft daarbij aan dat het hier wel gaat om een eerste verkenning en dat het een nadere uitwerking vraagt om het echt te valideren. Het ecbo heeft ook nog een aantal aandachtspunten geformuleerd die vragen om meer verdieping, zoals definitiekwesties.

Geraadpleegde bronnen ter inspiratie

  • Acht kenmerken van een excellente werkomgeving, V&VN, september 2018, https://www.venvn.nl/Portals/1/Thema’s/Excellente%20Zorg/Leiderschas/Kenmerken%20van%20een%20excellente%20werkomgeving.pdf?ver=2017-09-07-134307-507
  • Onderwijs aan het werk, analyses, feiten en visies over werken in het onderwijs, CAOP, Den Haag, 2018, red. Corvers F. en M. van der Meer
  • Naar een professionele omgeving van onderwijsteams, L. Medendorp, MBO Today, gepubliceerd op 12 februari 2019
  • Verslag diner pensant 7 februari, BVMBO
  • Je binnenste buiten, over professionele identiteit in organisaties, Management Impact, Deventer, 2015, red. M. Ruijters
  • Beroepsbeeld mbo-docent, ontwikkeling van starter tot expert, handvat voor professionele ontwikkeling, maart 2019, BVMBO/Samen opleiden in school red.Kwaliteit door gespreid leiderschap, met 10 portretten uit het primair onderwijs, Koninklijke van Gorcum, Assen, 2019, Ros A. en B. van Rossum

Deze eerste aanzet tot een whitepaper wordt nadrukkelijk gepresenteerd als een discussiestuk om de dialoog te voeren over een professionele werkomgeving. De BVMBO gaat met dit onderwerp verder aan de slag tijdens het ontwerpen van de meerjarenagenda ‘Professionele ontwikkeling en beroepsgroepvorming’ waarvan het thema werkomgeving onderdeel is.

Heeft u vragen over deze procesbeschrijving, de quickscan light van het ecbo of over de gehele aanpak, dan kunt u contact met ons opnemen via info@bvmbo.nl o.v.v. werkomgeving.

Met medewerking van Edith Vissers van Edith Vissers Onderwijsadvies.